The ActionTypes approach uses insights into a person’s behavioral preferences and deep motivational drivers based on motor preferences. However, there are other important factors that can have a significant impact on this: non-integrated reflexes and unprocessed trauma. Nathalie Jendly from Switzerland has been studying the impact of non-integrated reflexes and unprocessed trauma on human daily functioning for over 25 years. She is also an ActionTypes practitioner and knows how to make the link between reflexes, trauma, behaviour and motor skills. Reason enough to talk to Nathalie.
Thank you for your time, Nathalie. What are unintegrated reflexes?
Reflexes are automatic movement patterns that are active in babies and are crucial for initiating development. When these are integrated or inhibited, they disappear. However, when this is not the case, they can have a significant impact on behaviour and motor skills.
Why and when did you start to explore the subject of non-integrated reflexes?
I started to explore this subject about 30 years ago due to family circumstances. To be more specific: for my son. After a prolonged illness as a baby he had many health problems, both physical and mental. He was also partially paralyzed. His motor system did not develop properly. Someone told me that we needed to start working on activating his reflexes. So that’s what we did with him. Then my daughter was born. It was a very quick delivery. I went into labour, went to the hospital and an hour later she was there. Years later at school, I was told that she was a hyperactive child, probably with ADHD. Because of my experiences with my son, I was very aware of the effect of non-integrated reflexes and that these could also lead to hyperactivity. In this case, as a result of her quick birth. I then really started to delve into this subject by taking courses.
Where did you take these courses?
I took courses with various teachers, including Dr. Harald Blomberg. He developed a method to support neurological development, motor skills, and emotional regulation through rhythmic movements similar to those of babies. Rhythmic movements like those of infants stimulate brain maturation and activate neural networks that are essential for motor skills, speech, emotion, and visual processing. During one of these courses, I met Alex Rymann who had studied ActionTypes. That’s when I realized that some of my children’s characteristics were simply the result of their profile.
Could you give an example of that?
My daughter has a G3-ESFJ (the caregiver) profile with the intrinsic anchoring and extrinsic relationship drivers. That is a profile that has a great need for personal contact, which is further reinforced by the drivers. At school, she had a great need for personal contact with her teacher, but the teacher was distant towards her. That has an effect on a child, regardless of any unintegrated reflexes, traumas, or diagnoses such as ADHD. It has to do with personal strength and needs. That is where the child’s talent lies, and we must make use of it. Responding to this meant that her hyperactivity was already reduced considerably.
You have your own coaching practice in Switzerland. How do you use this knowledge with your clients?
It is important to emphasize that I am a coach and not a therapist. As a coach, I am able to recognize these and see how they influence the client’s cognition, emotions, and behaviour. Using the ActionTypes approach, I recognize the client’s talents and can determine where he or she is currently positioned within the lemniscate. Based on this, I can determine what I can offer this person as a coach.
Could you tell us something about the interaction of non-integrated reflexes and unprocessed trauma on the ActionTypes profile?
A large part of the non-integrated reflexes and practically all unprocessed trauma cause the person to be in a state of alertness almost continuously. Their senses are tense, searching for danger around them. For example, a person can give the impression that he or she has a motor preference for fine motor skills, or Thinking mode. However, when profiling this person, we see that their preferred profile contains a Feeling preference. We can then look for the reason why this person exhibits this behaviour.
It is also good to know that non-integrated reflexes and unprocessed trauma can cause a person to be pushed relatively quickly to other positions in the big or small loop. In that case you are continuously triggered and experience many emotions. And alertness is in any case a sign that you are no longer in the big loop. You will then see that a person’s physical posture often changes during the day and that they often suffer from stiff and tense muscles in their neck, shoulders, and back. You are then mainly in the sympathetic part of the nervous system. So blood pressure and sugar levels rise. Hormonal changes are taking place. We mainly produce adrenaline and cortisol. And that’s fine, but only for a while.
How do you identify these unintegrated reflexes and unprocessed traumas?
Firstly, by observing carefully. Example: How does someone hold their pen? Loosely or with a tight grip? Is there a lot of movement around the mouth? Does someone walk extremely on their toes? The latter is not always the result of a Walking from the top preference.
So how do we solve this?
Through physical movement. Guided by the profile, the motivations, and the reflexes that still need to be integrated. Sometimes you can achieve results quite quickly and see that the reflex is immediately integrated or the experience of the trauma is softened. Again, I am a coach and not a therapist, so sometimes I refer my clients to specialists.
Thank you very much for sharing your knowledge and experiences. It was very interesting and we look forward to learning more about this topic!
Would you like to learn more about the impact of non-integrated reflexes and unprocessed trauma on the motor skills and behaviour of athletes, employees, or perhaps yourself? On Friday, January 30, and Saturday, January 31, Nathalie will be giving a course on this topic in Erp. Check www.actiontype.nl for more information or contact us at info@actiontype.nl.
De ActionTypes-benadering maakt gebruik van inzicht in de handelingsvoorkeuren en diepe motivationele drijfveren van een persoon op basis van motorische voorkeuren. Er bestaan echter nog andere belangrijke factoren die hierop een significante impact kan hebben: niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkte trauma’s. Nathalie Jendly uit Zwitserland verdiept zich al ruim 25 jaar in de impact van niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkte trauma’s op het dagelijks functioneren van de mens. Daarnaast is zij ActionTypes-practitioner en weet zij als geen ander de link te maken tussen reflexen, trauma’s, gedrag en motoriek. Voldoende redenen dus om in gesprek te gaan met Nathalie.
Dankjewel voor je tijd Nathalie. Wat zijn niet-geïntegreerde reflexen?
Reflexen zijn automatische bewegingspatronen die actief zijn bij baby’s en cruciaal zijn om de ontwikkeling op gang te brengen. Wanneer deze geïntegreerd of onderdrukt zijn, verdwijnen deze snel. Echter wanneer dit niet het geval is dan kunnen deze een significante impact hebben op gedrag en motoriek.
Waarom en wanneer ben je in het onderwerp niet-geïntegreerde reflexen gaan verdiepen?
Ik ben mezelf hierin zo’n 30 jaar geleden enigszins gaan verdiepen vanwege familieomstandigheden. Om specifieker te zijn: voor mijn zoon. Na een langdurige ziekte als baby kreeg hij veel gezondheidsproblemen, zowel fysiek als mentaal. Hij was ook gedeeltelijk verlamd. Het motorisch systeem ontwikkelde zich niet goed. Iemand vertelde me dat we aan de slag moesten met het op gang brengen van zijn reflexen. Daar zijn we dus mee aan de slag gegaan met hem. Daarna volgde de geboorte van mijn dochter. Een zeer snelle bevalling. Ik kreeg weeën, ging naar het ziekenhuis en een uur later was ze daar al. Jaren later op school kreeg ik te horen dat zij een hyperactief kind was, waarschijnlijk ADHD. Door mijn ervaringen met mijn zoon was ik me zeer bewust van het effect van niet-geïntegreerde reflexen en dat deze ook zouden kunnen leiden tot hyperactiviteit. In dit geval dus als het gevolg van haar snelle geboorte. Toen ben ik me echt flink gaan verdiepen in dit onderwerp door middel van cursussen.
Waar heb je deze cursussen gevolgd?
Ik heb bij diverse docenten cursussen gevolgd, onder andere de cursussen van dokter Harold Blomberg. Hij ontwikkelde een methode om neurologische ontwikkeling, motoriek en emotionele regulatie te ondersteunen via ritmische bewegingen die lijken op die van baby’s. Ritmische bewegingen zoals die van zuigelingen stimuleren de rijping van het brein en activeren neurale netwerken die essentieel zijn voor motoriek, spraak, emotie en visuele verwerking. Tijdens één van deze cursussen kwam ik Alex Rymann tegen, die zich verdiept had in ActionTypes. Toen kwam ik erachter dat sommige eigenschappen van mijn kinderen ook gewoon het gevolg waren van hun profiel.
Zou je daar een voorbeeld van kunnen geven?
Mijn dochter heeft een G3-ESFJ (de verzorger) profiel met de drijfveren anchoring intrinsiek en relatie extrinsiek. Dat is een profiel dat veel behoefte heeft aan persoonlijk contact, waarbij dit nog eens versterkt wordt door de drijfveren. Ze had op school veel behoefte aan persoonlijk contact met haar docent, maar deze stelde zich afstandelijk op ten opzichte van haar. Dat doet wat met een kind en dat staat los van eventuele niet-geïntegreerde reflexen, trauma’s of diagnoses zoals ADHD. Dat heeft te maken met persoonlijke kracht en behoeften. Daar zit het talent van het kind en dat moeten we benutten. En daarop inspelen zorgde er bij haar ervoor dat de hyperactiviteit al een stuk minder werd.
Je hebt een eigen coachpraktijk in Zwitserland. Hoe gebruik je deze kennis bij je cliënten?
Het is goed te benadrukken dat ik een coach ben en geen therapeut. Als coach ben ik in staat om deze te herkennen en te zien wat de invloed is op de cognitie, emotie en gedrag van de cliënt. Vanuit de ActionTypes-benadering herken ik de talenten van de cliënt en kan ik achterhalen op welke positie binnen de lemiscaat hij of zij zich op dat moment bevindt. Op basis daarvan kan ik bepalen wat ik als coach aan deze persoon kan bieden.
Zou je wat kunnen vertellen over de interactie van niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkt trauma op het ActionTypes-profiel?
Een groot deel van de niet-geïntegreerde reflexen en praktisch alle onverwerkte trauma’s zorgen dat de persoon zich bijna continu in een toestand van alertheid bevindt. De zintuigen staat gespannen, op zoek naar gevaar om zich heen. Zo’n persoon zou dan relatief opgestrekt kunnen staan, alsof deze een motorische voorkeur heeft voor fijne motoriek, ofwel de Thinking-modus. Toch zien we tijdens het profileren van deze persoon dat het voorkeursprofiel een Feeling voorkeur bevat. We kunnen dan op zoek gaan naar de reden dat deze persoon dit gedrag vertoont.
Daarbij is het ook goed om te weten dat niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkt trauma ervoor kunnen zorgen dat een persoon relatief snel naar andere posities in de lemiscaat geduwd wordt. Je wordt dan continu getriggerd en ervaart veel emoties. En alertheid is sowieso een teken dat je niet meer in de grote lus zit. Je ziet dan bij een persoon dat de fysieke houding dan ook vaak verandert gedurende de dag en dat deze vaak last heeft van stijve en stramme spieren in nek, schouders en rug. Je bevindt je dan vooral in het sympathisch deel van het zenuwstelsel. Dus de bloeddruk en suikerspiegel gaan omhoog. Hormonaal gebeurt er van alles. We gaan dan vooral adrenaline en cortisol produceren. En dat is goed, maar wel voor even.
Hoe spoor je deze niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkte trauma’s op?
Als eerste door goed te kijken. Bijvoorbeeld: Hoe houdt iemand zijn pen vast? Losjes of gespannen knijpend? Is er veel beweging bij de mond? Loopt iemand extreem op zijn tenen? Dat laatste hoeft niet altijd het gevolg te zijn van een Walking from the top voorkeur.
Hoe lossen we dit dan op?
Door fysiek te bewegen. Gestuurd vanuit het profiel, de drijfveren en de reflexen die nog geïntegreerd moeten worden. Soms kan je daar vrij snel resultaat mee boeken en zie je dat de reflex meteen geïntegreerd is of de ervaring van het trauma verzacht is. Nogmaals: ik ben een coach en geen therapeut, dus soms verwijs ik mijn cliënten door naar specialisten.
Hartelijk dank voor het delen van je kennis en ervaringen. Het was erg interessant en we kijken ernaar uit om meer over dit onderwerp te weten te komen!
Wil je ook meer te weten komen over de impact van niet-geïntegreerde reflexen en onverwerkte trauma’s op de motoriek en het gedrag van sporters, werknemers of wellicht jezelf? Op vrijdag 30 januari en zaterdag 31 januari geeft Nathalie een cursus over dit onderwerp in Erp. Check deze link voor meer informatie of neem contact met ons op via info@actiontype.nl.
Beste Zangers is een populair televisieprogramma waarin bekende artiesten elkaars muziek vertolken en persoonlijke verhalen delen. Met een aantal kijkers dat varieert tussen de één en anderhalf miljoen is het één van de meest populaire programma’s in Nederland. De duetten-aflevering is de traditionele seizoensafsluiter waarin de artiesten niet solo zingen, maar samen het podium delen. Dit levert altijd verrassende optredens op. De 25-jarige Bente en 30-jarige Snelle, beiden zeer populair onder de huidige generatie jongeren, vertolkten op een frisse, speelse manier de hit Stiekem Gedanst van de band Toontje Lager die in 1983 de achtste plaats noteerde in de Nederlandse Top 40. Dit uptempo nummer gaat over een jonge man die tijdens een nachtelijk uitje heimelijk danst met een meisje dat hij bewondert, zonder dat zij het doorheeft. Het optreden van Bente en Snelle straalde duidelijk veel plezier met elkaar uit, maar toch was er muzikaal iets opmerkelijks aan de hand. Daar waar bij de meest optredens de zangers hun zang met elkaar synchroniseren was dit niet altijd het geval bij deze twee zangers, wat de nodige reacties op social media opriep die wisselend van aard waren. De energieke wijze van Bente contrasteerde enigszins met het relaxte gevoel dat Snelle op wist te roepen. Toch zongen beiden in het juiste ritmische kader, alhoewel Snelle daar af te toe wel enkele vocale hoogstandjes voor uit de kast moest halen. Wat was hier aan de hand? Hier zagen we een fenomeen dat we vooral uit de muziek kennen, maar zeker niet beperkt is tot deze wereld: timing. Dit zorgt voor samenhang, zowel binnen een lied, tussen zangers en met de band of het orkest. De timing van Bente tijdens deze uitvoering kan het beste omschreven worden als voor de maat, wat een energiek gevoel oproept bij de luisteraar. De zang van Snelle kenmerkte zich tijdens deze uitvoering – zoals bij de meeste van zijn hits – als achter de maat, wat een laid-back en soms zelfs melancholisch gevoel geeft, iets wat door collega Thomas Acda al eerder bestempeld werd als een luie timing. In muziekgenres zoals jazz en hip-hop variëren topartiesten hiermee doelbewust om dynamiek in hun uitvoering te krijgen. Ondanks dat deze topartiesten hiermee intentioneel kunnen variëren, zien we in de praktijk dat er sprake is van een persoonlijke voorkeur voor timing: voor, op of achter de maat, waarin de mate kan variëren. En niet alleen qua zang, maar eigenlijk in heel het leven.
Théraulaz en Hippolyte (2021) introduceerden afgelopen decennium het begrip interne ritme. Hiermee wordt de interne verwerkingssnelheid bedoeld van de sensorische input – zicht, geluid, geur, lichaamsposities, evenwicht, druk etc. – waardoor het brein op optimale wijze een beeld en voorspelling kan vormen waarop vervolgens weer geanticipeerd kan worden. Met optimale wijze wordt dan bedoeld dat het brein zo min mogelijk fouten maakt zodat acties en bewegingen zo effectief mogelijk uitgevoerd kunnen worden. Iemands interne ritme kan op verschillende wijze achterhaald worden. De meest eenvoudige manier is het gebruiken van een metronoom in combinatie met het checken van iemands coördinatie bij een bepaald aantal tikken per minuut. Ook kan het interne ritme van een persoon afgeleid worden vanuit de combinatie van zijn of haar motorische voorkeuren. En tot slot is dit ook zichtbaar door iemands bewegingen goed te observeren. Dat laatste heeft mij als trainer van atleten, en dan met name van de 60 meter en 100 meter sprinters, de nodige hoofdbrekens gekost. Het lijkt logisch dat sprinters met een hoog intern ritme een relatief hoge pasfrequentie en sprinters met een laag intern ritme een lage pasfrequentie zouden moeten hebben. Dit is echter niet zichtbaar bij de analyse van de biomechanische data van sprinters, zowel op wereldniveau als binnen mijn groep. En eigenlijk is dat wel logisch, want pasfrequentie is een variabele die erg afhankelijk is van zaken zoals beenlengte, power en coördinatie. Toch is met een geoefend oog mogelijk om het verschil tussen sprinters met een hoog of laag intern ritme te zien. Met name het observeren van de wereldrecordraces op de 100 meter bij de mannen en vrouwen maakt dat dit verschil zichtbaar wordt. Op 16 augustus 2010 liet Usain Bolt de klok stilstaan na 9,58 seconden waarbij hij ruim een tiende van een seconde van zijn eigen wereldrecord afhaalde. Deze prestatie werd in 2012 nog door hem benaderd, maar sindsdien is geen enkele atleet in de buurt van dit record gekomen. Dat geldt ook voor het wereldrecord bij de vrouwen. Deze staat al sinds 16 juli 1988 op naam van de Amerikaanse Florence Griffith-Joyner met een tijd van 10,49 seconden en is alleen door haarzelf in september van dat jaar en door Elaine Thompson in 2021 benaderd. Beide sprinters zijn vanuit het perspectief van motoriek interessant omdat we kunnen afleiden vanuit de motorische voorkeuren die ze consequent lieten zien dat Bolt een zeer hoog en Griffith-Joyner een zeer laag intern ritme bezit. Overigens beschouw ik dit als puur toeval omdat een hoog of laag intern ritme geen voorwaardelijke factor lijkt te zijn om een topprestatie neer te zetten. Het verschil tussen de uitvoering van beide wereldrecords is het beste zichtbaar wanneer er gelet wordt op de timing van de voet wanneer deze naar beneden gebracht wordt. Bolt doet dit relatief snel en Griffith-Joyner lijkt dit bij elke pas iets uit te stellen. Het sprinten van Bolt oogt wat energieker, terwijl de pas van Griffith-Joyner meer laid-back aanvoelt. Alsof Bolt voor de maat en Griffith-Joyner achter de maat hun passen aan het timen zijn.
Het hierboven omschreven extreme verschil qua intern ritme tussen wereldtoppers is ook zichtbaar bij twee voetballers die in de periode 2008 tot en met 2023 samen maar liefst 13 keer uitgeroepen zijn tot FIFA Wereldvoetballer van het jaar: Cristiano Ronaldo en Lionel Messi. Nu is het in een dynamische sport als voetbal lastig om bewegingen van twee voetballers één-op-één met elkaar te vergelijken omdat iedere situatie uniek is. Maar vooral als je kijkt vanuit je rechterhersenhelft, dus niet focussen op details en scherp analyseren maar uitzoomen en het ritme van de bewegingen voelen, dan is er een verschil in de timing met name in de passeeracties duidelijk waar te nemen. Ronaldo lijkt zijn passeeractie een fractie van een seconde eerder in te zetten dan Messi, die dus langer lijkt te wachten en dichter bij de tegenstander lijkt te komen. De passeeractie van Ronaldo voelt daarom wat energieker aan, alsof hij de tegenstander op wil vreten. Terwijl de passeeractie van Messi wat meer laid-back aanvoelt. Alsof Ronaldo voor de maat en Messi achter de maat hun passeeracties aan het timen zijn.
Bovengenoemde voorbeelden van verschillen tussen de manier van timen zijn niet alleen zichtbaar bij zangers of sporters. Ook in de klas zitten sommige kinderen, scholieren of studenten te wippen in hun stoel om zo snel mogelijk een goed antwoord te geven op een vraag van de docent terwijl anderen, die net zo enthousiast zijn, achter op hun stoel zitten om tijd en rust te creëren om tot een goed antwoord te komen. Dezelfde dynamiek is ook te zien aan de vergadertafel binnen de kantoren in het bedrijfsleven en overheden. En waarschijnlijk ook op de bouwplaatsen en binnen de fabrieken. Iedereen heeft een intern ritme waarmee informatie verwerkt kan worden en deze correspondeert een hoge mate met de timing van gedachten, woorden en bewegingen. Deze timing is persoonlijk, bijna als een vingerafdruk, en dient gerespecteerd te worden. Iemand met een hoog intern ritme vragen om zijn of haar snelheid van handelen te verminderen omdat deze niet matcht met jouw intern ritme helpt de ander niet en frustreert de dialoog of samenwerking. Deze is gebaat bij het wederzijds respecteren van elkaars tempo en dan synchroniseren deze vanzelf. Zoals dit ook lukte bij Bente en Snelle.
Bronnen:
Theraulaz, B., Hippolyte, R. (2021). La bible de préférences motrices. Amphora.
Op 11 augustus 2025 is Bennie Douwes plotseling overleden door een aneurysma in zijn been. Onze condoleances gaan uit voor familie, vrienden en diegenen die Bennie een goed hart toedragen.
Met grote verslagenheid en verdriet, maar ook met diepe dankbaarheid voor alles wat Bennie voor mij en voor de ActionTypes Academy Nederland heeft betekend, nemen wij afscheid.
Als mede-vormgever en ontwikkelaar van de Academy was Bennie een vertrouwde verschijning binnen de ActionTypes-community: bij cursussen, workshops en als vraagbaak voor talloze trainers en coaches, die hij met woord en daad ondersteunde.
Bennie studeerde economische wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zowel binnen als buiten zijn oorspronkelijke vakgebied werd hij altijd geboeid door de ontwikkeling van menselijk potentieel. In 2009 rondde hij met succes de internationale ActionTypes-opleidingen af bij Bertrand Théraulaz en Ralph Hippolyte.
Mijn eerste ontmoeting met Bennie vond plaats in 2008, na afloop van een presentatie die ik in Assen verzorgde. Hij stapte op mij af met tal van vragen. Vanaf 2010 richtte hij zijn kennis en toewijding volledig op het lesgeven als seniordocent aan de Academy. Hij ontwikkelde tal van concepten, lesstof en innovaties die tijdens de cursussen werden ingezet. Ook als performance consultant werkte hij mee aan grote begeleidingstrajecten, zoals bij Ajax1 en de PSV Academy, in de topsport en talentontwikkeling. Zijn vakmanschap, scherpe analyses en oog voor detail maakten hem daarin bijzonder waardevol. Het proces van winnen en verliezen kon hij als geen ander duiden. Eigenwijs kon hij ook zijn.
Bennie beschikte over een brede kennis van verschillende sporten en van hoe teams zich ontwikkelen en presteren. Zijn eigen sport was tafeltennis, waarin hij ervaringen had op nationaal en internationaal niveau. Jarenlang gaf hij training aan talentvolle jeugd. Hij was mede-auteur van TotaalcoachenXL en schreef samen met Klaus Geske het boek Table Tennis Finally Individualized, waarin de ActionTypes-benadering in tafeltennis helder wordt uitgelegd en beschreven. Bennie werkte het liefst achter de schermen zoals voor de zeer succesvolle trainer /coach Danny Heister bij Borussia Düsseldorf Tischtennis; hij hoefde niet op de voorgrond te treden.
In 2023 ging de Academy over in andere handen en deden wij een stapje terug. Voor mij en mijn Academy-collega’s Michiel, Erwin en Martijn is Bennie als vraagbaak er niet meer. Wij, en met ons veel oud-cursisten, zullen zijn loyaliteit en vakmanschap als een groot gemis ervaren.
Velen zullen Bennie herinneren als de man die altijd tijd had voor een extra uitleg of een praatje, en nooit iemand met lege handen liet vertrekken.
Wij zijn dankbaar voor de vele mooie momenten die wij met Bennie hebben gedeeld.
Feit of Fictie is een rubriek van AVROTROS en wordt binnen het radioprogramma EenVandaag uitgezonden. Actuele gebeurtenissen worden erin tegen het licht gehouden met het doel om uit te vinden of een bewering van iemand wel of niet waar is. Zo ook het standpunt van BBB politiek leider Caroline Van der Plas over een uitspraak van Jetta Klijnsma, Commissaris van de Koning in Drenthe. Die had op het congres van GroenLinks-PvdA benoemd dat BBB-ers in haar provincie geen bestuurservaring hebben en dat dat ellende oplevert. Van der Plas noemde deze uitspraak ongehoord, Klijnsma bood daarna haar excuses aan, waarop Van der Plas stelde: “Het was de primaire reactie van Klijnsma, en als dit je primaire reactie is, dan is dat wat je écht denkt.” Is dat nu feit of fictie?
Als eerste laat het programma hersenwetenschapper Erik Scherder aan het woord. Wat is zijn eerste reactie: ‘Het gebeurt in eerste instantie in het onderbewuste. Wat je ziet, hoort of voelt gaat eerst naar je hersenstam en daarvandaan wordt die informatie verspreid over je brein. En dat met hele korte lijntjes naar kernen die je emotionele uitingen bepalen. Ze geven een spontane eerste indruk. Er is niet over nagedacht, het is gewoon je primaire reactie.’
Hoogleraar sociale psychologie aan de Radbout Universiteit, Roos Vonk, vult aan. ‘Er is ook nog iets anders aan de hand. Het misverstand is dat we er dan van uitgaan dat iemand één ding denkt, terwijl mensen meerdere dingen kunnen denken. Daaruit komt de eerste reactie als een impuls naar boven omdat deze vaak functioneel is. Eerste reacties zijn in de evolutie vaak van overlevingswaarde geweest. Primaire impulsen staan in dienst van overleving en zijn zo gegroeid.’ Ze voegt eraan toe dat emoties een soort blikvernauwing geven en dwingend kunnen zijn.
Om te weten hoe je er echt over denkt is het zaak je primaire reactie te onderzoeken, aldus Roos Vonk. Of in de woorden van Erik Scherder: ‘slaap er nog eens een nachtje over.’ Samengevat typeren beiden de stelling als fictie, je weet pas echt hoe iemand er over denkt als deze er dieper over heeft nagedacht en de emoties opzij heeft geschoven.
De beschrijvingen van Scherder en Vonk doen ons denken aan de impact van de Diepe Motivationele Drijfveren (DMD’s), zoals we die binnen de ActionTypes benadering kennen. De DMD’s resoneren als onderdeel van het extrapiramidale systeem in het zenuwstelsel en zijn verbonden met o.a. de kleine hersenen, de amygdala en de hippocampus, waar emotie en overleving hun kernen vinden. Zodra emotie en overleving een rol spelen zal het signaal van de DMD’s zijn invloed uit willen oefenen. Dit bevestigt de lezing van de beide geciteerde hoogleraren.
Emotie en overlevingsdrang spelen een belangrijke rol in primaire impulsen. Maar wat als dit niet aan de orde is en we naar de dynamiek van onze handelingsvoorkeuren kijken. Daar waar zich, ingegeven door een hogere respectievelijk lagere reticulaire hersenactiviteit, het verschil tussen introversie en extraversie voordoet. Introversie staat voor het eerst toepassen van innerlijke reflectie voordat het echte antwoord naar buitenkomt. Niet dat degene daarvoor niets zegt, maar het is doorgaans meer gereserveerd. Een extraverte reactie kenmerkt zich door het meteen naar buiten brengen van de eerste gedachte. Niet als werkelijke mening, maar als opening van interactie. Zo van reageer er maar op, dan komen we in de onderlinge wisselwerking wel uit op hoe ik er werkelijk insta.
Dus ook vanuit de in de voorgaande alinea weergegeven invalshoek is de conclusie dat de eerste reactie niet per definitie openbaart wat iemand echt denkt. Aan de andere kant is het uiteraard ook niet zo dat een eerste reactie helemaal niets betekent. Communicatie leidt nogal eens tot misverstanden, vraag daarom altijd om rapport. Het doel is om vertrouwen en verbinding tussen mensen te creëren. Bijvoorbeeld: klopt het dat je bedoelt dat … En het liefst doe je dat op een moment dat de emotionele lading (grotendeels) verdwenen is.
We are proud to offer you something unique and one-of-a-kind in the Netherlands: A two-day English-language Deep Motivational Drivers course taught by developer Ralph Hippolyte and expert Michiel de Ruijter.
During this course the Deep Motivational Drivers will be covered in depth, with special attention to recognizing and applying them in practice.
This course will take place at the Ankie Education Centre in Erp on the following days: – Thursday, December 11, from 2 p.m. to 8 p.m. – Friday, December 12, from 10 a.m. to 4 p.m.
The price for this course is 645 euros (excluding VAT). Those who book before August 31 we reward with a 100 euro discount. Should you also participate in the Dutch ActionTypes Exchange Platform (price: 155 Euros) on Saturday, December 13, you will also receive a 55 Euro discount upon the registration for the ATUP.
You can register for the Deep Motivational Drivers course by sending an email to michiel.de.ruijter@talentsinlife.nl.
We are grateful to Ralph Hippolyte for sharing this knowledge with the ActionTypes community and look forward to this course!
Impliciet leren met een externe focus, maar voor wie?
Peter Murphy & Bennie Douwes
In ons eerste deel van het drieluik over motorisch leren kwamen we – afgezien van wat er voor motivatie en evaluatie nodig is – tot de conclusie dat het daadwerkelijke oefenen gedijt bij een impliciet proces. Bewegen stoelt op zintuiglijke sensaties die samenhangen met onze waarnemingen. In de bewegingswetenschappen is er brede consensus over de combinatie van impliciet leren met een extern gerichte focus van aandacht. Dit laatste brengt ons op het diffuse gebied van aandacht en waarnemen. Laten we dat eens onder de spreekwoordelijke loep nemen en daar de invalshoek van individuele voorkeursdynamiek bij betrekken. Daarmee geven we invulling aan wat dr. Pieter Verduin in 20051 al stelde, namelijk dat ‘het individuele’ in wetenschappelijke modellen schraal is uitgewerkt. Iets dat wij tot op de dag van vandaag alleen maar kunnen beamen en waar we graag een aanzet tot verandering in willen geven.
Als de begrippen aandacht en waarnemen ter sprake komt dan liggen al snel misverstanden op de loer over wat er nu precies wordt bedoeld. Aandacht wordt gezien als het cognitieve proces van het gericht waarnemen van de omgeving en is verwant met begrippen als alertheid, concentratie en selectief verwerken van informatie.2 Scherpe grenzen tussen aandacht en waarnemen zijn er dus niet. Oké, het begint dus bij het gericht waarnemen (zien, horen, voelen, ruiken en proeven) van iets in de omgeving om vervolgens met de aandacht daarin op te gaan. Dit als basis om één te raken met wat je doet.
“In werkelijkheid is het cognitieve niet van het lichamelijke te splitsen, zeker niet als je onbewuste bekwaamheid en zelforganisatie een kans wilt geven”
Het maakt de vraag relevant wat er dan waargenomen dient te worden en waar de aandacht naar toe dient te gaan. Bekend is de indeling van Nideffer: aandacht kan naar binnen of buiten en breed of smal worden gericht. Zo ontstaan de vier aandachtsrichtingen intern breed, intern smal, extern breed en extern smal. Dit model geeft echter geen antwoord op de vraag hoe de aandacht moet worden gericht om tot optimale motorische prestaties en leerresultaten te komen, anders dan dat sporters de aandachtstijlen moeten leren aannemen die horen bij hun sport en de situaties die zich daarbinnen voordoen.3
In alle complexiteit spelen handelingen zich op meerdere niveaus af. Beperk je de externe focus tot het meer bewuste cognitieve niveau of vat je daar ook het meer onbewust beleefde visueel en motorisch proces onder? In werkelijkheid is het cognitieve niet van het lichamelijke te splitsen, zeker niet als je onbewuste bekwaamheid en zelforganisatie een kans wilt geven. Laten we daarom breder naar het thema kijken.
Op motorisch-visueel gebied kwam Gabriele Wulf (Universiteit van Nevada) met een binnen de bewegingswetenschappen alom gerespecteerd antwoord. Zij toonde aan dat externe aandacht gericht op de intentie van de handeling superieure resultaten geeft ten opzichte van intern gerichte aandacht, zoals op het hoe van de beweging. Daarbij maakt het volgens haar niet uit hoe ver die intentie bij de sporter vandaan is. Veraf of dichtbij, zolang de aandacht maar niet naar binnen wordt getrokken. Haar mening vormt daarmee een warm pleidooi om zoveel mogelijk bij techniekaanwijzingen weg te blijven en zelforganisatie zijn gang te laten gaan.
Conclusies Aandacht gaat onder meer over alertheid, concentratie en de selectie van informatie. Sporters hebben in dat laatste opzicht een externe focus nodig om hun bewegingen zelf organiserend aan te kunnen sturen. Dit is een breed gedeelde conclusie uit tal van onderzoeken, waarbij aandacht als een cognitief proces wordt gezien. Natuurlijke voorkeuren geven echter onder meer aan dat mensen op verschillende wijzen met het doel van hun handelen verbonden zijn: direct of indirect. Iets dat onveranderbaar is en als motorische, visuele en cognitieve volgorde gerespecteerd dient te worden. Het betekent dat je directe (verticale) sporters primair op de intentie coacht en indirecte (horizontale) sporters op de situatie. Alleen langs die weg kunnen ze ook het andere integreren.
“Een trainer-coach die dit verschil bij zijn sporter(s) niet begrijpt en aanwijzingen geeft die de verkeerde volgorde oproepen beperkt het potentieel van de sporter”
Waarnemingen kunnen we verder nog specificeren in starten vanuit een wijde versus smalle blik en in de parameter dichtbij versus veraf. Het heeft te maken met de vraag of bij de sporter het laagfrequente (wijd – dichtbij) dan wel het hoogfrequente (smal – veraf) systeem in het moment actief is. Ook hier geldt weer dat beide systemen elkaar in de informatievoorziening aanvullen, maar dus wel in een specifieke volgorde. Dit speelt een belangrijke rol in het onbewuste handelen. Een trainer-coach die dit verschil bij zijn sporter(s) niet begrijpt en aanwijzingen geeft die de verkeerde volgorde oproepen beperkt het potentieel van de sporter.
Noten: 1. Fysiopraxis, december 2005 2. Wikipedia. 3. Beek P.J (2022), Motorisch leren, een update, Deel II: Externe focus van aandacht, Sportgericht 2022, jaargang 76, nummer 6.
Uitleg achtergronden over de volgorde van waarnemingen en sportspecifieke voorbeelden
Motorische en visuele verschillen tussen mensen kunnen we op een relatief eenvoudige manier aan de hand van sensomotorische ervaringen profileren. Oftewel wat werkt op welk moment voor wie? We zien dat naast het verschil tussen directe en indirecte mensen in de onbewust beleefde volgorde tussen voelen (globaal – dichtbij) en zien (scherp – veraf) zich cruciale nuances voordoen die bepalend zijn voor de kwaliteit van de handelingen. Laten we voor de uitleg en voorbeelden starten bij de dimensie globaal versus scherp.
De conclusie van Wulf over een externe focus doet ons denken aan de wijze waarop mensen visuele informatie integreren: van smal veraf naar breed dichtbij of juist andersom. In ons zenuwstelsel hebben we allemaal een hoogfrequent en een laagfrequent systeem. Het verschil wat achter beide systemen schuil gaat heeft te maken met ganglioncellen. Een derde type fotoreceptoren dat naast het bestaan van de bekende kegeltjes en staafje werd ontdekt. Ze blijken eveneens een zekere lichtgevoeligheid te hebben en kunnen verder worden gespecificeerd in magnocellulaire (M-type) en parvocellulaire (P-type) paden.
“Beide systemen ondersteunen elkaar en doen dat in het samenspel tussen perifeer en centraal zicht in een persoonlijke voorkeursvolgorde”
Magnocellulaire paden gebruiken laagfrequente (LF) ruimtelijke waarnemingen en spelen een belangrijke rol bij het verwerken van ruimtelijke informatie in relatie tot de stand van het eigen lichaam en motorisch bewegen. Op hun beurt gebruiken parvocellulaire paden hoogfrequente (HF) ruimtelijke waarnemingen. Ze zijn gevoelig voor fijne details en kleuren, hun kwaliteit is het waarnemen van vorm en structuren. Beide systemen ondersteunen elkaar en doen dat in het samenspel tussen perifeer en centraal zicht in een persoonlijke voorkeursvolgorde. De ene persoon start bij de laagfrequente wijdveldreceptoren om van daaruit gedetailleerde hoogfrequente informatie te integreren. De andere persoon start juist bij de hoogfrequente smalveld-receptoren om van daaruit laagfrequente informatie in te passen.
Afbeelding 1: Persoonlijke verschillen in de volgorde waarin waarnemingen worden geïntegreerd
Dit verschil heeft een persoonlijk karakter (welk van beide systemen is in het moment actief) en doet zich overal voor. Laten we er een paar voorbeelden bij pakken.
Dressuurruiters krijgen voor het aanrijden op de A-C lijn vaak te horen: kijk scherp naar het bord met de C aan de overkant (externe focus). Voor ruiters met een voorkeur voor hoogfrequente waarnemingen werkt dit prima. Daarentegen is het meer regel dan uitzondering dat ruiters met een voorkeur voor laagfrequente waarnemingen bij het opvolgen van dezelfde aanwijzing zwalkend over de AC-lijn rijden en bij het halthouden hun paard scheef zien staan. Wat zij nodig hebben is dat ze hun lichaam (dichtbij) zodanig richten dat dit zich globaal in het midden van de overkant (wijd) projecteert. Daarvoor hebben ze hun natuurlijke globale brede blik nodig.
Een kenmerkende ervaring was ook die van een clinic die we aan de grootste racetalenten van de FIA gaven. Eerder op de dag hadden de jonge coureurs een ochtendsessie op het circuit, waarbij de instructeur aanwijzingen gaf om de bochten efficiënt aan te snijden en te nemen. Daarvoor plaatste hij pylonen langs de baan met de instructie om vanaf een bepaald punt scherp naar de pylon te kijken en daarop aan te rijden, etc.
Toen de coureurs in de middag een testje deden waarbij de voorkeuren voor globaal (laagfrequent systeem) versus scherp kijken (hoogfrequent systeem) centraal stonden, volgde een aha-erlebnis. De coureurs met een voorkeur voor het laagfrequente systeem deelden stuk voor stuk hun ervaring dat het scherp kijken naar de pylonen die ochtend op het circuit voor hen een mislukking was. Op onze vraag hoe ze daarmee zijn omgegaan, was het antwoord eenduidig: na een paar rondjes proberen hebben we de instructie losgelaten en zijn we ons eigen gevoel gaan volgen: het lichaam in de naderende bocht projecteren.
Dichtbij of veraf Wat we verder telkens ondervinden is dat een voorkeur voor wijd (globaal) samengaat met dichtbij het lichaam en dat een voorkeur voor smal (scherp) is gekoppeld aan van het lichaam af. Het zijn de ervaringen dat de ene sporter de actie liever dichterbij het lichaam uitvoert en de andere sporter dat bij voorkeur verder van het lichaam af doet. Oftewel, is er bij hem of haar sprake van een voorkeursdynamiek die start bij het initiëren van de beweging vanuit de grote lichaamsspieren of vanuit de fijne motoriek? Dit verschil blijkt kenmerkend voor het al dan niet hebben van een natuurlijk bewegingsgevoel.
“Vertel mij niet dat ik de bal verder van het lichaam moet raken, dat is in het verleden al door zoveel trainers geprobeerd”
De voetballer die in een duel de tegenstander dichtbij zich wil hebben en eerst zijn lichaam inzet versus de speler die duels meer met de onderbenen en voeten uitvecht. Of wat we bijvoorbeeld in slagsporten tegenkomen. Daar zegt de biomechanica dat hoe verder de bal van het lichaam wordt geraakt des te hoger de snelheid van de hand, het racket of wat het slagvoorwerp ook mag zijn. Althans in theorie en de techniekboekjes spelen gretig op dit mechanische principe in. Echter de eerste drie letters van biomechanica geven aan dat het om levende wezens hoort te gaan en niet over machinale mechanismen.
Zo verzuchtte menig toptafeltennisser, vertel mij niet dat ik de bal verder van het lichaam moet raken, dat is in het verleden al door zoveel trainers geprobeerd, ik heb er eenvoudigweg geen gevoel bij. Dat hebben deze spelers wel als ze de bal dichter bij hun lichaam raken en door de sterke natuurlijke inzet van hun grote lichaamsspieren voor coördinatie en snelheid zorgen.
Intentie of situatie In het handelen hebben we te maken met een persoon die de actie uitvoert (de individuele sporter), met een intentie (het doel van de actie) en met een situatie (de context waarbinnen de actie plaatsvindt). Berthoz, Hippolyte en Théraulaz toonden aan dat mensen op een verschillende manier met het doel (de intentie) van hun handelen zijn verbonden. Waar de één rechtstreeks op de intentie is gericht en langs een directe weg impact wil bewerkstelligen, is de ander van nature eerst op de situatie gericht. Oftewel, hoe kan ik de situatie gunstig beïnvloeden om vervolgens efficiënt naar de intentie te gaan? In afbeelding 2 hebben we dit verschil aan de hand van twee driehoeken weergegeven.
Wie het oog er voor heeft ziet het kenmerkende verschil tussen directe (verticale) en indirecte (horizontale) mensen zo aan zich voorbij trekken. In de sport, maar ook daarbuiten. De voorkeur is aangeboren en het andere blijkt in de natuurlijke expressie moeilijker te integreren. Zowel cognitief, visueel als in het handelen. Kortom, je kunt maar beter rekening houden met wat nature je heeft meegegeven en in het onbewuste handelen doe je dat als het even kan ook.
Afbeelding 2: Mensen en dus ook sporters zijn op een verschillende manier met het doel van hun handelen verbonden
Waar het dan toch fout kan gaan is dat een trainer-coach niet begrijpt hoe het voor zijn sporter werkt. In het vraagstuk van een extern gerichte focus is het derhalve niet per definitie zo dat je iedereen primair op de intentie coacht. Sommigen coach je juist primair op de situatie. In plaats van waar lever je impact, gaat het dan eerst om de te creëren situatie.
Er is altijd voor iedereen een intentie en een situatie, echter hun volgorde vraagt – zoals in afbeelding 2 is aangegeven – om individueel maatwerk. Links zie je wat voor een direct persoon (verticale sporter) geldt. Die moet eerst met zijn actie op de intentie georiënteerd zijn voordat hij of zij in het vervolg daarvan de situatie kan integreren. Voor een indirect persoon (horizontale sporter) werkt dat net andersom. Deze dient eerst de situatie af te wegen, daarnaar te differentiëren om zich vervolgens op de intentie te kunnen richten. Het zijn razendsnelle onbewuste processen waarin de volgorde cruciaal is en gerespecteerd dient te worden.
Neem twee voetbalfenomenen van het vorige decennium: Lionel Messi en Cristiano Ronaldo. Hun typische acties zijn even verschillend als karakteristiek voor de persoon en een duidelijke indicatie dat ze vrijwel steevast de ingang bij wat nature hen heeft meegegeven vinden. Waar de direct handelende Ronaldo eerst zijn verticaliteit benut door recht op de intentie af te gaan en pas vlakbij een tegenstander deze op snelheid wil passeren, bereidt Messi zijn acties veel omzichtiger voor. Hij zoekt soms wandelend positie, weegt de situatie af om creërend te bepalen wanneer en waar hij zich aanbiedt. Eenmaal aan de bal kan hij wachten tot de tegenstander hapt om pas daarna de passeerbeweging in te zetten en op zijn karakteristiek slingerende wijze een solo versnellend in te zetten. Tegelijkertijd blijft hij het overzicht over de situatie bewaren. Het is indirect handelen in zijn meest ultieme vorm. Hoewel Messi indirect (horizontaal) is komt ook hij bij de intentie uit, maar doet dat door eerst de situatie af te wegen en te beïnvloeden.
Samenvattend kunnen we – als het om de verbinding met intentie en situatie gaat – het belang van een extern gerichte focus van aandacht bevestigen. Tegelijkertijd willen we daaraan toevoegen dat door natuurlijke voorkeuren die aandacht bij de één automatisch eerst naar de intentie zal gaan en bij de ander eerst naar de situatie. Als trainer-coach heb je in feite geen andere keuze dan daarbij aan te sluiten. Weet daarom wat voor wie geldt!
“Menig opleiding heeft niet alleen een andere mindset ten aanzien van motorisch leren nodig, trainers zullen daarin ook ervaring en vertrouwen op dienen te bouwen”
Samenvattende voorbeelden De volgende voorbeelden dienen om het allemaal in het perspectief van waarnemen, aandacht en actie te plaatsen. Een indirecte (horizontale) spelverdeler in het volleybal ontvangt een pass. Gericht op de situatie heeft hij de context waargenomen, waar bevinden zijn aanvallers zich en hoe zit het met blok en verdediging van de tegenstander. Met die informatie vergelijkt hij razendsnel de opties, in concentratie is dit idealiter een onbewust cognitief proces. Stel dat deze spelverdeler een voorkeur heeft voor het benutten van het laagfrequente systeem: dichtbij en wijd. Voor hem begint het bij het ruimtelijk positioneren van het lichaam (dichtbij) en het op die manier aangaan van een ritmische relatie met de aankomende bal. Deze wordt van globaal (starten bij wijd) naar scherp geïntegreerd, zodat de grove met de fijne motoriek wordt aangevuld.
Het weergegeven voorbeeld van een indirecte spelverdeler met een voorkeur voor het primair benutten van het laagfrequente systeem vraagt om een vergelijking met een tegenhanger, zoals een directe (verticale) spelverdeler met een voorkeur voor het gebruik van het hoogfrequente systeem.
Deze speler is primair op de intentie gericht, met andere woorden op de vraag waar wil ik met mijn set-up impact maken. In de voorbereiding van de actie stuurt dit het cognitieve proces van het selecteren van informatie. Het vraagt om veel minder vergelijken dan voor een indirecte spelverdeler het geval is, het is gewoon ‘gaan’. Het benutten van het hoogfrequente systeem manifesteert zich primair scherp op de bal (smal en veraf) als deze van de handen van de passer komt, waarna gedurende de vlucht van de balbaan het laagfrequente systeem (wijd en dichtbij) mee gaat doen door het lichaam te positioneren. De voorkeursdynamiek voor het activeren van de beweging is voor hem aan die volgorde gekoppeld: eerst de inzet van de fijne motoriek om vervolgens de grove motoriek in de actie bij te sluiten. Dus net andersom als bij iemand die de actie primair met het laagfrequente systeem als hoofdingang uitvoert.
Zo bezien is de kreet externe focus een containerbegrip, er ontbreekt voor de sporter cruciale informatie. Informatie die ook de trainer-coach als hulpmiddel nodig heeft om te begrijpen hoe het bij elk van zijn of haar sporters werkt om daarbij aan te kunnen sluiten. Tegelijkertijd maakt dit het allemaal heel complex, een proces dat alleen door zelforganisatie zijn beslag kan krijgen. Berthoz noemt dit simplexity: complexe processen die zich in concentratie door zelforganisatie in alle eenvoud uitdrukken. En op dat proces dienen techniekaanwijzingen als het maar even kan geen inbreuk te maken.
De sportwereld staat voor een flinke uitdaging. Menig opleiding heeft niet alleen een andere mindset ten aanzien van motorisch leren nodig, trainers zullen daarin ook ervaring en vertrouwen op dienen te bouwen. Zonder dit laatste dreigt, zo wijst de praktijk uit, een trainer al snel weer in zijn of haar oude handelen vervallen.
Peter Murphy (1947) geldt in de (inter)nationale sportwereld als expert, docent en spreker op het gebied van topsport, coachen en teambuilding. Gehard als wedstrijdcoach op nationaal, Europees, wereld- en olympisch niveau kan hij door zijn specialiteit als geen ander de link leggen tussen de route naar succes en presteren op het moment dat het er echt om gaat. Murphy is van huis uit fysiotherapeut en heeft een groot deel van zijn sportieve leven doorgebracht in de volleybalsport – eerst als speler en later als trainer/coach. In 1978 en in 1985 werd hij verkozen tot Volleybalcoach van het Jaar. Als bondscoach van het Nederlands vrouwenteam (1982-1986 en 1990-1994) veroverde hij in 1991 een zilveren medaille, in 1985 een bronzen EK-medaille en in 1992 tijdens de Olympische Spelen in Barcelona een zesde plaats. In 1994-1995 was hij assistent-coach bij het nationaal herenvolleybalteam. Tijdens de WK 1994 in Athene werd onder leiding van Joop Alberda een zilveren medaille behaald. Van 1986 tot 1990 was Murphy werkzaam als technisch directeur van de Nederlandse Volleybal Bond. In die functie was hij betrokken bij het Bankrasmodel, dat de herenploeg onder leiding van Arie Selinger (bondscoach van 1986 tot 1989 en in 1992) en later Joop Alberda (1993-1996) wereldfaam zou bezorgen. Op internationaal niveau (1988-2017) maakte Murphy deel uit van de technische commissie van de wereldvolleybalbond FIVB waar hij de supervisie over de WK -en Olympische Spelen-analyses had. Vanaf 1996 tot medio 2010 is Murphy werkzaam geweest voor NOC*NSF als prestatiemanager Topsport en Talentontwikkeling met als specialiteit teamdisciplines. Ook was hij medeontwikkelaar en begeleider van het Mastercoach in Sports-traject voor de bondscoaches. In de periode 2010-2013 startte hij voor het Rabobankcyclingteam het ‘coach de coachtraject’ op en begeleidde de ploegleiders naar de rol van rennercoach. Verder zette hij de de ActionTypes Academy Nederland op met een aantal succesvolle producten namelijk de leergang Praktisch werken met ActionTypes® en de cursus Diepe Motivationele Drijfveren. Van 2011 tot medio 2018 begeleidde Murphy de Ajax 1 coachstaf bij specialistische ondersteuning t.b.v. de teamdynamics/ontwikkeling en bij het opbouwen van een spelervoorkeuren-profiel Ajax 1-spelers. Samen met Jan Huijbers schreef hij het succesvolle standaardboekwerk ‘Totaalcoachen’ in 2006. In 2015 schoof co-writer Bennie Douwes aan en verscheen er een revisie onder de naam TotaalcoachenXL (500 blz). In 2009 verscheen het boek ‘De excellerende sportcoach’ dat hij samen met Rogier Offerhaus schreef.
Bennie Douwes (1957) studeerde aan de Rijksuniversiteit in Groningen af in de economische wetenschappen. Als sportliefhebber heeft hij zijn sporen ruimschoots verdiend, aanvankelijk als tafeltennisspeler, daarna in diezelfde sport al snel als trainer en coach. Hij rondde met succes de internationale opleidingen ActionTypes bij Bertrand Théraulaz en Ralph Hippolyte af en werkt sinds 2010 intensief met Peter Murphy samen. Hij is o.a. mede-auteur van het boek Totaalcoachen XL en heeft zich o.a. bijzonder toegelegd op natuurlijke individuele motorische en visuele voorkeuren, motorisch leren, zelforganisatie en talentontwikkeling.
Dat topsprinters op de marathon nooit hoge ogen gooien, snapt iedereen. Dat snowboarders hun dominante voet voor op het board zetten, kan je je vast voorstellen. Maar wist je dat je jouw bochten makkelijker neemt als je weet wat jouw dominante motoroog is en waar je mobiele punt zit?
Michiel de Ruijter komt uit de sportwereld, waar hij als voormalig volleyballer, trainer en coach kennismaakte met het fenomeen ActionTypes. “Met de ActionTypes- benadering kan je in kaart brengen hoe je het beste uit sporters kunt halen, bijvoorbeeld door te kijken op welke posities of op welke afstanden ze het best functioneren. Maar er is nog veel meer, natuurlijk.” Omdat hij jaarlijks zo’n 30.000 kilometer onder de wielen van zijn GSA laat doorglijden, is het niet gek dat hij de kennis die hij op- deed ook naar motorrijders vertaalde.
Net wel, net niet Zoals het voor snowboarders belangrijk is om hun dominante voet te kennen, kunnen motorrijders beter gaan rijden als ze weten wat hun dominante oog of motoroog is. “Als je motorrijdt, komen de bochten en wegen op je af. Je motoroog, verwerkt die informatie sneller dan je andere oog, wat betekent dat je sneller op die informatie kunt reageren. In normale situaties ga je daardoor soepeler en makkelijker de bocht door. In noodsituaties kan het ’t verschil betekenen tussen die bocht wel of net niet halen.”
Links op rechts Dat dominante oog is natuurlijk niet aan motorrijders voorbehouden. “Arjan Robben werd als linksbenige voetballer altijd op links gezet, maar hij bleek uiteindelijk als rechtsbuiten veel beter te functioneren. Dat is niet meer dan logisch: hij heeft een dominant linkeroog, waarmee hij veel beter oppikte wat er links van hem gebeurde en daar dus veel sneller op kon inspelen.”
Draad schieten Als motorrijder kan je er niet voor kiezen of de actie zich links of rechts van je afspeelt, maar Michiel stelt dat je wel heel bewust je dominante oog aan je bochten kunt koppelen. “Als je met dat motoroog bewust een connectie met die bocht maakt, pak je hem makkelijker. Misschien niet meteen de eerste keer, als je nog teveel met het proces bezig bent, maar wel vanaf het moment dat je je dit eigen gemaakt hebt. En als de termen ‘koppelen’ of ‘een connectie maken’ voor jou niet werken, schiet dan als het ware vanuit je dominante oog een draad door die bocht heen.”
Test links, rechts Blijft natuurlijk de vraag hoe je ontdekt wat jouw dominante oog of motoroog is. Daar heeft Michiel een eenvoudig ogende test voor. Eerst vraagt hij je voor hem te gaan staan, met je voeten op schouderbreedte. Als hij gecheckt heeft of je stabiel staat en heeft laten zien hoe eenvoudig je om te duwen bent als je niet in balans met jezelf bent, wappert hij een paar keer met zijn hand naast je linkeroog en probeert hij je opnieuw om te duwen. Dan herhaalt hij dit bij je rechteroog. Blijf je na die actie bij je rechteroog staan, dan is dat je motoroog: de input – hier in de vorm van die wapperende hand – bij dat oog brengt je niet uit balans.
Hoog of laag Met een vergelijkbare test bepaalt Michiel of je een hoog of laag mobiel punt hebt. Dat hoge punt zit op borsthoogte, het lage op heuphoogte. “Net als je dominante oog kun je ook je mobiele punt met de bocht verbinden, gewoon door het op de bocht te richten. Dat wil niet zeggen dat je met je borst of je heupen stuurt, maar de focus die dit met zich meebrengt laat je wel degelijk makkelijker die bochten pakken.”
(On)bewust Michiel is de eerste om te beamen dat de kans groot is dat je je motoroog en je mobiele punt al onbewust gebruikt. “Maar als je meer inzicht krijgt in je eigen voorkeuren, kan je ze bewust gaan toepassen. Dat kan je eigen balans en daarmee de balans met je voertuig alleen maar ten goede komen. Het resultaat? Je rijdt lekkerder, je hebt meer controle, meer plezier.”
Instructeurs welkom Als linkerbochten je makkelijker afgaan en pak je die onder een grotere hellingshoek dan bochten naar rechts, dan kan je dat verschil opheffen of op z’n minst reduceren door bewust van je motoroog en je mobiele punt gebruik te maken, stelt Michiel. “Daarom zou ik deze kennis graag op motorrijinstructeurs overbrengen. Dan zijn ze veel beter in staat om leerlingen met bepaalde problemen verder op weg te helpen.
Minitipje Dominante ogen en mobiele punten zijn geen op zichzelf staande elementen. Een minitipje van de sluier? “Mensen met een dominant rechteroog hebben vrijwel altijd een dominante linkerhersenhelft, wat betekent dat ze het prettig vinden om te weten waar ze aan toe zijn. Heb je een dominant linkeroog, dan ga je meer voor de vrijheid en het avontuur.”
Gratis kennismaken? Zo zijn er nog veel meer elementen waar je met een Action Types-benadering zicht op kan krijgen, met links naar motorrijden, maar ook naar sport, relaties, werk en meer. Voor zo’n volledige benadering kan je Michiel bereiken via info@actiontype.nl. Wil je eerst ’s ervaren wat hij je met de hier beschreven testjes kan vertellen, dan ben je van harte welkom op de Motorbeurs Utrecht. Daar vertelt Michiel zijn verhaal in het Adventure Talks Theater (hal 12; do, vr en zo 11:00-11:45; za 12:00- 12:45). Ook geeft hij alle vier de dagen demonstraties op de MAG-stand. Alles is gratis toegankelijk, natuurlijk.
ERVARINGEN Op het feest ter gelegenheid van 60 jaar Arie Molenaar Motors zagen we Michiel aan het werk met motorrijders Jeroen van Zwienen, zijn partner Jessica van Lith, en Fritz Couzijn. We belden ze achteraf om ze naar hun bevindingen te vragen en die spreken boekdelen. Zelf ook meemaken? Dan zien we je graag in Utrecht.
Jeroen van Zwienen “Op basis van de paar testjes die Michiel bij mij deed, wist hij me te vertellen dat ik waarschijnlijk wat meer moeite zou hebben met rechterbochten. Dat klopte als een bus. Door toe te passen wat hij me vertelde en bewust mijn motoroog te gebruiken kom ik in die bochten nu beter op mijn plaats op de weg uit. Mijn lijn is vloeiender geworden, wat me meer zelfvertrouwen en daarmee ook meer snelheid geeft. Ik ben er blij mee en rijd met nóg meer plezier!”
Jessica van Lith “Toen ik had gezien wat Michiel bij Jeroen deed, met dat omduwen, zou ik wel blijven staan. Eh, niet dus. Op de terugweg van Molenaar reden we veel rotondes. Lekker je lijf erin gooien. Ik vond het verlaten van rotondes altijd lastig, maar door die bochten nu heel bewust met rechts door te kijken ging dat veel soepeler. Die winst was duidelijk voelbaar, zelfs terwijl ik nog heel veel op andere dingen moet letten: ik rijd nog maar twee jaar.”
Fritz Couzijn “Door een progressieve medische aandoening voelde ik me op de motor langzaamaan minder zeker worden. Ik kan nog hooguit een jaartje rijden, dacht ik, en dan stop ik ermee. Maar nu ik met mijn dominante linkeroog mijn bochten doorkijk en mijn borst in de richting van de bocht draai, voel ik me weer een heel stuk stabieler en zelfverzekerder, en ik heb ook mijn oude bochtensnelheid weer terug. Je bent er echt wel even mee bezig, hoor: het moet een automatisme worden, weet ik inmiddels. Maar van mijn voorkeur voor rechterbochten merk ik al niks meer: ik pak linkerbochten nu even makkelijk.”
In hun topsportprogramma’s stelde NOC*NSF begin deze eeuw dat in coaching, training en begeleiding de sporter als individu meer centraal dient te staan. Sportbonden zouden langs die weg moeten gaan werken. Individualiseren dus, met daarin verweven het inspelen op de uniciteit en authenticiteit van de sporter. Een in beginsel vruchtbaar en terecht streven, waarvan het interessant is hoe de sportkoepel daar vandaag de dag, ruim twintig jaar na de aankondigingen, vorm aan geeft.
Voor die zoektocht komen we onder meer terecht bij het Nationaal Coach Platform (NCP). NOC*NSF noemt het als organisator ‘the place to be’ voor intensieve kennisdeling en kennisontwikkeling op het gebied van high performance coaching. Het NCP is een bijeenkomst met experts uit binnen- en buitenland die actuele kennis en ervaring overdragen op specifieke thema’s in de sport en deze bediscussiëren met bondscoaches, talentcoaches en technisch directeuren. Zeg maar de mensen die binnen hun bond op sportief gebied de lijnen uitzetten en een katalysator in ontwikkeling zouden moeten zijn. Het NCP dat in het voorjaar van 2024 op Papendal werd gehouden kende de titel ‘Een duik in motorisch leren’.
Op de door prof. dr. Wolfgang Schöllhorn geïnitieerde ontwikkelingen rond differentieel leren na constateren we dat er de laatste decennia weinig nieuwe inzichten op het gebied van motorisch leren worden gepresenteerd. De recente duik tijdens het laatste NCP bracht daarin geen verandering. Met alle respect is het veel oude wijn in nieuwe zakken. De aandacht speelt zich vooraf af rond de thema’s impliciet versus expliciet leren, externe versus interne focus en variatie versus herhalen. Op zich is daar niets mis mee, het zijn onderwerpen waarover in de bewegingswetenschappen een grote mate van consensus is ontstaan. En wat goed is, dient behouden te blijven en mag daarom nadrukkelijk worden bevestigd. Wat wij hieraan toe willen voegen is een op individueel maatwerk gerichte beschouwing, want die is wel degelijk mogelijk. Mensen verschillen in de dynamiek van cognitieve, emotionele en motorische voorkeuren van elkaar, alsmede in diepe motivationele drijfveren. Iets dat impliceert dat het in ieder geval in de nuances voor de één anders werkt dan voor de ander. In een drieluik willen we de genoemde thema’s vanuit een accent op individualiteit belichten.
Laten we om te beginnen aan de hand van het thema ‘impliciet versus expliciet leren’ verfijnd naar de inrichting van het leerproces kijken. Het mag dan in de kern grotendeels een impliciet proces zijn waarin zelforganisatie de hoofdrol hoort te spelen, in de nuances spelen echter expliciete factoren wel degelijk een rol. Allereerst als het er om gaat gemotiveerd open te staan voor het nieuwe. Verschillen in diepe motivationele drijfveren maken dat de één meteen bereid is om de beoogde acties te gaan ervaren, terwijl de ander eerst expliciet door informatie overtuigd wil raken. Het begrijpen van het waarom en het daar ook mee eens zijn bepaalt of degene zich met voldoende overgave op het nieuwe kan storten. En dat is voor deze sporters nodig om eenmaal in actie de sensomotorische waarnemingen effectief en naar behoren te verwerken en te integreren.
Bewegen heeft bovendien altijd een intentie nodig. Coachen op een expliciet gemaakte intentie verstoort zelforganisatie niet en is veilig. Sterker nog, zonder intentie weet het lichaam niet waarnaar het zich dient te organiseren. En de intentie staat niet los van de situatie, dit vooraf analyseren en inbeelden ondersteunt de tactische vaardigheden. Want ook die vormen onderdeel van het leerproces. We zien het oefenen, in de vorm van het in beweging uitvoeren, verder als een voor iedereen grotendeels impliciet proces. Als de intentie helder is dan zorgen de aanpassing aan de innerlijke staat en de situatie voor de rest. Op deze plaats beperken we ons in dit opzicht tot het credo: het hoe van bewegen is aan het individu.
Er zijn in alle nuances essentiële individuele verschillen. Zie voor een uitgebreide verdieping en praktische voorbeelden hieronder (deel 1 van dit drieluik).
Deel 1 Het draait om impliciet leren of toch niet helemaal?
Motorisch leren is een onderwerp waarover neuropsycholoog dr. Theo Mulder (onder meer bekend van zijn baanbrekende boek ‘De geboren aanpasser’) al bijna twintig jaar geleden stelde dat trainers, fysiotherapeuten en bewegingsagogen minder normatief zouden moeten zijn. Minder een idee moeten hebben van wat goed bewegen is. Dit wordt ondersteund door de bevindingen van dr. Pieter Verduin. Hij geeft vanuit de filosofie aan dat de makke van modellen is dat ze individueel zo schraal zijn uitgewerkt. 1 Vanuit onze kijk op individualiteit zijn wij getriggerd om kritisch naar datgene te kijken wat de bewegingswetenschappen op dit gebied richting de sportwereld aandragen. In dit deel van ons drieluik gaat het om de nuances tussen impliciet versus expliciet leren.
Het is te kort door de bocht om te vragen of motorisch leren in hoofdzaak een denk- of een waarnemingsproces is. Deze vraag duidt echter wel de tegenstelling tussen expliciete en impliciete informatieverwerking. Expliciet motorisch leren gaat over kennis van de bewegingsuitvoering, behelst cognitieve stadia in het leerproces en is afhankelijk van het werkgeheugen. Impliciet motorisch leren voltrekt zich zonder of met minimale kennis over de bewegingsuitvoering en zonder zich van die uitvoering bewust te zijn. Het maakt gebruik van het impliciete geheugen. 2, 3
Laten we deze definities eens ontleden. Waar zou kennis van de bewegingsuitvoering over moeten gaan? Voor ons strekt dit niet veel verder dan basisregels. Voor het spelen van een forehandtopspin in tennis dient de speler of speelster te weten wat een forehand is en in welke richting een topspinbeweging gaat. Nu kun je als trainer-coach nog veel meer goedbedoelde technische aanwijzingen geven, maar hoe verstandig is dat als je het de speler of speelster ook zelf kunt laten ontdekken en ervaren?
Wie in de maakbare ideale techniek gelooft, zoals opleidingen en techniekboekjes in zo goed als alle sporten prediken, heeft daaraan houvast en kan zijn of haar sporters expliciet veel vertellen. Maar is dit wel verstandig? Aangeboren motorische verschillen zorgen er voor dat we aan de wereldtop in alle sporten verschillende motorische stijlen zien zonder dat we kunnen zeggen dat de ene techniek beter of slechter is dan de andere. Iets dat voor alle leeftijden en niveaus geldt.
Het oefenen en uitvoeren zijn in principe impliciete processen In het verlengde hiervan dienen we de vraag te stellen: wat is dan techniekvorming? In de kern draait het om het aansluiten bij hoe het voor de individuele sporter werkt. Dat doe je door het bevorderen van zelforganisatie en zelfexpressie en dat is in het oefenen een grotendeels onbewust en impliciet proces. Ook als je meent te herkennen wat de motorische voorkeursdynamiek is. Dat de ideale techniek zou bestaan is een mythe die de sportwereld nog veel te veel in zijn greep heeft. Het hoe van het bewegen is aan het individu en vraagt bovendien in alle dynamiek tussen de innerlijke staat van de sporter, de situatie en de intentie van zijn of haar handelen om voortdurende aanpassing!
Wat je daarbij als trainer-coach wilt is dat de sporter in concentratie is en de sensaties van zijn of haar handelingen zintuiglijk zo goed mogelijk ervaart. Dat is waar hij of zij gevoel en efficiëntie mee opbouwt en mee verder kan. Het is echter een utopie dat sporters voortdurend in focus zijn, er liggen veel afleiders op de loer. Bovendien is aandacht eindig en dient er soms even bijgetankt te worden. Hoe uitdagend we een oefening ook maken, in het doen en ervaren wordt de concentratie nu eenmaal op de proef gesteld en zien we mede in samenhang met de moeilijkheidsgraad van de oefeningen schommelingen in de uitvoering en in hoe soepel het gaat.
Lukt het de sporter – zelfs na langere tijd proberen – echt niet bewegingsoplossingen te vinden, dan kan de trainer hulp bieden. Daarbij houdt de trainer de sporter door het gebruik van analogieën of aan beelden refererende cue words als het even kan zo dicht mogelijk bij de waarneemstand. En mocht het zonder cognitief proces niet lukken, denk dan aan hulpvragen om het de sporter zelf te laten zeggen. In zijn algemeenheid horen wij trainers en coaches veel te snel voorzeggen. In motorisch leren is er echter weinig zo ineffectief als het storen van een zelfsturende sporter die experimenterend de eigen oplossing door trial and error aan het zoeken en ervaren is. En wat is er mis met een sporter die daarbij eerst een frustratiegrens overschrijdt, ook dat is onderdeel van het leerproces. Met of zonder interventie, in welke vorm dan ook, het gaat erom dat de sporter zich vervolgens weer weet te herfocussen. Dit proces bij zichzelf in training en wedstrijd op te roepen is bijzonder vormend en ook dat werkt individueel.
Het leerproces bestaat uit meer dan het oefenen Motorisch leren wordt in onderzoeken vaak gekwalificeerd aan de hand van de effecten in de oefenfase, alsmede ten aanzien van retentie (hoe blijvend is het geleerde) en transfer (draagt het bij aan het leren van andere vaardigheden). Maar heb je daarmee het gehele leerproces te pakken of is er meer? De vraag stellen is in onze beleving deze beantwoorden. In de praktijk zien we dat sporters eerst open moeten komen te staan voor het nieuwe en daarin zien we kenmerkende verschillen. Aan de ene kant zijn er sporters die het nieuwe eerst willen begrijpen en het er ook mee eens willen zijn. Met alleen aangeven wat de oefening is worden ze onvoldoende geïnformeerd en getriggerd. Ze zijn op zoek naar het waarom en willen daar zelf ook achter staan. Zolang dat niet het geval is kunnen ze zich niet vol overgave en overtuiging op het uitvoeren van de oefening storten. Ze blijven gereserveerd en kritisch, waardoor de zintuiglijke waarnemingen vertroebeld binnen komen en dito worden verwerkt. Met andere woorden: door het ontbreken van de juiste expliciete informatie in de uitleg zal in de uitvoering voor deze sporters het impliciete proces zich niet optimaliseren. Aan de andere kant is het beeld herkenbaar dat halverwege de uitleg van het waarom van een oefening een deel van de groep al staat te popelen om aan de slag te gaan. De verdere uitleg interesseert hen niet en ze hebben het voor hun motivatie ook niet nodig. Wat ze willen is ervaren en dat doe je door gewoon met de oefening te starten. Als ze maar weten wat de oefening en de bijbehorende intentie is. Elke cognitieve uitleg over het waarom vormt voor hen vooral onnodige ballast.
Het in de beide voorgaande alinea’s aangegeven onderscheid vloeit voort uit individuele verschillen in diepe motivationele drijfveren. Deze zijn in beginsel aangeboren, zitten diep in ons verankerd en mogen niet worden genegeerd. Gebeurt dat laatste wel dan heeft het een negatieve invloed op onder meer plezier, alertheid, spiertonus en energie. Inspelen op wat de sporter nodig heeft om ‘aan’ te komen staan is voor elke trainer-coach een must. De hiervoor benodigde inzichten zijn met relatief eenvoudige profileringen aan de hand van de lichaamstonus op te sporen. Ze verhelderen, zowel in de communicatie als de motiverende inkleding van de trainingsvormen, de te leggen individuele accenten om ready te zijn voor het daadwerkelijke oefenen. De diepe motivationele drijfveren geven zowel inzicht in hoe de sporter voor iets nieuws open komt te staan als waar deze in essentie voor gaat. Zit voor hem of haar de sleutel in het onderling samenwerken, het aangaan van uitdagingen of in de ideeën die als innovatieve triggers in het ontwikkelingsproces zijn verwerkt.
We horen kenmerkende verhalen uit de praktijk, zoals deze over twee topwielrenners. Waar de één het aangereikte trainingsschema zonder slag of stoot in alle vertrouwen omarmt, gaat de ander er eerst over in discussie. Hij wil zeker weten of het goed doordacht is, stelt kritische vragen en checkt of zijn eigen mening er voldoende in terug komt. Zolang dat niet het geval is, kan hij er niet vol overgave mee aan de slag gaan. En dergelijke reserves belemmeren het leer- en opbouwproces.
En dan is er nog het belang van de evaluatie. Oftewel hoe labelt de sporter de opgedane (impliciet geleerde) ervaringen. Is dat meer op gevoelsniveau of gebeurt het in termen van efficiëntie, waarbij het laatste een meer cognitief proces vormt dan het eerste.
Vrijwel alle professionele teams in het betaald voetbal verzamelen data over de gespeelde wedstrijden. En dat doen ze ook op spelersniveau. Die informatie ligt bij de volgende training telkens keurig gereed om door de spelers meegenomen en bekeken te worden. Maar wat zijn de ervaringen? Waar de ene speler de gegevens over zijn handelen gretig meeneemt, laat de andere speler deze steevast liggen. En het zijn telkens dezelfde spelers die de informatie tot zich nemen en dezelfde spelers die er geen waarde aan hechten. Hun eigen gevoel over en beleving van de wedstrijd is voor hen voldoende. Zou je deze laatste groep pushen om zich serieus in de data te verdiepen dat werkt dat eerder averechts dan positief.
Conclusies Bewegen heeft altijd een intentie nodig. Coachen op een expliciet gemaakte intentie verstoort zelforganisatie niet en is veilig. Sterker nog, zonder intentie weet het lichaam niet waarnaar het zich dient te organiseren. We zien het oefenen, in de vorm van het in beweging uitvoeren, verder als een voor iedereen grotendeels impliciet proces. Als de intentie helder is dan zorgen de aanpassing aan de innerlijke staat en de situatie voor de rest. Hierover meer in het laatste deel van ons drieluik. Op deze plaats beperken we ons nog tot het credo: het hoe van bewegen is aan het individu!
Motorisch leren is meer dan het daadwerkelijke fysieke oefenen. Dit laatste hoort vooraf te worden gegaan door uitleg en afgesloten te worden met evaluatie. In dit artikel hebben wij aangegeven dat juist daarin de behoefte aan expliciete versus impliciete accenten aan individuele verschillen onderhevig is. Samengevat: ja, motorisch oefenen is voor iedereen een impliciet proces, echter motorisch leren is breder dan dat en vraagt aan de hand van individuele verschillen om een meer genuanceerde beschouwing van expliciete en impliciete aspecten.
Dat we de onmiskenbare aanwezigheid van individuele voorkeursdynamieken nauwelijks in motorische onderzoeken terug zien komen, heeft een reden. Het probleem in gedragswetenschappen is dat de combinatie van voldoende grote steekproeven en individualiteit als het ware twee tegenpolen zijn, die de betrouwbaarheid van de uitkomsten per definitie onder druk lijkt te zetten. Dat is ook waarom er zo weinig onderzoeken repliceerbaar zijn. Uitkomsten in de vorm van gemiddelden zeggen niets over het individu. Of nog sterker, met een beetje pech is het de vraag of ze überhaupt wel voor iemand van de onderzochte populatie gelden.
Zo blijft onderzoek een rituele dans om de kern heen, namelijk dat het individu nodig heeft wat voor hem of haar persoonlijk werkt. Anders gezegd de praktijk bestaat uit n=1. In onze ogen zou onderzoek in de gedragswetenschappen dan ook in dienen te zoomen op het centraal stellen van het unieke individu, zoals bijvoorbeeld differentieel leren dat door middel van principes voor zelforganisatie doet. Daarbij doet de trainer-coach er goed aan de dimensies van individueel maatwerk voor ogen te krijgen en deze als een op maatwerk gerichte gildemeester te hanteren.
Noten:
Fysiopraxis, december 2005
Kleynen M. et al. (2014). Using a Delphi technique to seek consensus regarding definitions, descriptions and classification of terms related to implicit and explicit forms of motor learning. PLoS One, 9 (6): e100227
Beek P.J. (2023), Motorisch leren, een update, Deel III: Impliciet leren, Sportgericht (2023, jaargang 77, nummer 1)
Onlangs verzorgde Michiel de Ruijter van de Action Types Academy, samen met gastspreker Jean Pierre Staelens, aan 25 medewerkers van een huisartsenpraktijk een informatieavond over de inzet van de ActionTypes benadering voor bedrijven. Het identificeren van voorkeuren op basis van de koppeling tussen cognitie, emotie en motoriek liet zien dat een beter onderling begrip tussen collega’s bij kan dragen tot meer arbeidsplezier. Geen goed of fout…..gewoon inzien dat er verschillende personen in een organisatie zijn. Een zeer informatieve en gezellige avond waarin er eens op een andere manier naar uw medewerkers wordt gekeken. Wilt u dit als bedrijf ook eens ervaren? Informeer eens bij ons via info@actiontype.nl.